Plagen in de kas aanpakken met natuurlijke vijanden

Bij een kas denk je misschien niet meteen aan insecten, maar ook gewassen onder glas raken snel besmet met allerlei plagen. Ingrijpen is dan noodzakelijk. Hoewel voor sommige plagen nog steeds chemische gewasbeschermingsmiddelen nodig zijn, pakt de Nederlandse teler schadelijke insecten in de kas juist aan door het uitzetten van natuurlijke vijanden. Zo genieten lieveheersbeestjes van bladluis, jagen sluipwespen op de witte vlieg en zijn roofwantsen dol op trips en spint.

Roofwants van de familie Miridae zijn insecten met nog een bijzondere eigenschap: ze leven niet alleen van schadelijke insecten, maar ook van plantmateriaal.Dit brede voedselmenu heeft grote voordelen voor de biologische bestrijding, omdat ze daardoor verschillende plaagsoorten kunnen bestrijden. Maar doordat ze zich ook voeden met bijvoorbeeld plantsappen, kunnen ze ook preventief ingezet worden: ze zijn een vaste bewoner in de kas en als er een plaag is, slaan ze toe!

Maar dit voordeel is ook een nadeel: de wantsen kunnen schade toebrengen aan bloemen en vruchten. Een ander ‘nadeel’ is de roofwants zijn eitjes graag legt in zacht plantweefsel en sommige gewassen zijn te hard, waardoor deze insecten zich moeilijk vestigen in deze gewassen. Via een topsectorproject deed Wageningen University & Research (WUR) onderzoek naar de potentie voor plaagbestrijding in gerbera, roos en tomaat met vier soorten omnivore roofwantsen.

Gerben Messelink is buitengewoon hoogleraar ‘Biologische bestrijding in de glastuinbouw’ en senior wetenschappelijk onderzoeker entomologie bij de WUR. Zijn grote passie is de biologische bestrijding van plagen. “Via dit project wilden we robuuste bestrijdingsmethoden ontwikkelen waarbij we deze omnivore roofwantsen kunnen inzetten voor meerdere plagen. Dit is hard nodig omdat het aantal chemische gewasbeschermingsmiddelen afneemt en de plagen toenemen. Er is behoefte aan een goed groen alternatief om schadelijke insecten aan te pakken.”

Preventief
Er is in dit onderzoek gekeken naar de eigenschappen van het gewas en of het mogelijk is om de omgeving aanpassen voor een optimale vestiging en plaagbestrijding met minimale risico’s op gewasschade. “Het idee is om niet pas te reageren als er een plaag in het gewas zit, maar om veel preventiever te gaan werken. We willen ervoor zorgen dat er leger van natuurlijke vijanden klaar staat in het gewas dat in actie komt bij een plaag. Dit leger moet kunnen leven van een breed prooimenu èn kunnen overleven als er geen of weinig plagen zijn. Ze moeten dan kunnen leven van alternatieve voedselbronnen zoals het stuifmeel van planten.”

Tomaat
Uit het onderzoek blijkt dat alle vier onderzochte soorten wantsen zich uitstekend in tomaat kunnen vestigen en een populatie kunnen opbouwen. Maar bij zeer hoge dichtheden gaven de wantsen wel schade aan het gewas. Ze bleken vooral dol te zijn op speciale soorten, zoals de cocktailtomaten.

In dit onderzoek is ook gekeken naar het vervelende broertje uit dezelfde familie Miridae, de roofwants Nesidiocoris tenuis (Nesi). Deze wants komt vooral in Zuid-Europa voor, maar is inmiddels ook gesignaleerd in de Nederlandse kassen. Gerben: “Hoewel Nesi een belangrijke bijdrage kan leveren aan de bestrijding van witte vlieg en de tomatenmineermot, veroorzaakt deze soort in Nederland vooral veel gewasschade waardoor de rover in feite een plaag is.”

De onderzoekers hebben gekeken of de schade van Nesi beperkt kan worden door zijn verwante soorten preventief in het gewas te brengen. Met als resultaat: drie soorten roofwantsen kunnen de vestiging van Nesi aanzienlijk terugdringen. “Een teler is hiermee in de praktijk aan de slag gegaan, maar er liggen nog veel vervolgvragen. Misschien moet je in dit gewas juist gaan voor een combinatie van roofwantsen.”

Dierentuin
Vincent van der Lans is directeur Teelt & Energie bij Lans in Maasdijk. Op het bedrijf van 80 hectare worden jaarrond verschillende soorten tomaten geteeld. “We telen hier op het bedrijf maximaal biologisch. Soms moeten we een beetje chemie inzetten, maar dat doen we liever niet omdat je dan het biologische evenwicht in je gewas eruit haalt.” 

Tomaten zijn heel gevoelig voor ziekten en plagen: van luis en witte vlieg tot aan tomatengalmijt en spint. Voor telers zou het heel fijn zijn als al deze plagen aangepakt kunnen worden door een beestje. “We hebben nu een hele dierentuin rondkruipen en vliegen in onze kas. Het spelen met dit evenwicht is het leukste wat er is, maar het zou wel heel handig zijn als je een beestje hebt dat meerdere plagen kan aanpakken. Daarom hebben we ook meegedaan aan dit onderzoek.”

Van der Lans heeft veel geleerd over groene bestrijders de afgelopen vier jaar, maar er was helaas was er nog geen ‘eureka-moment’. “We hebben nog geen generalist gevonden die de verschillende plagen in de tomaten kan aanpakken. Maar we blijven doorzoeken. Het gebruik van chemische middelen is eindig en we moeten door.”

Roos
De roos was wat minder populair bij de wantsen. “De wantsen leggen hun eitjes graag in zacht plantweefsel en de roos is te houtig, daar houden ze niet van. Maar door een geschikte waardplant tussen de rozen te zetten, kun je dit oplossen. We hebben op 100 vierkante meter zes andere soorten planten (Verbascum) gezet met zachte bladeren en dit werkt! We zagen dat de wantsen zich dan wel vestigen in het gewas en tegelijkertijd plagen in roos bestrijden.”

Gerbera
Bij de gerbera doen de wantsen het goed. Het is een lekker zacht gewas waarin de insecten gemakkelijk eitjes leggen en zich vestigen. Ook blijkt uit het onderzoek dat ze de plagen zoals bladluis, trips, witte vlieg, mineervlieg en spint goed aanpakken. “We zagen alleen wel dat wanneer er heel veel wantsen in het gewas zaten, de kans op bloemschade wel toenam. Dit moeten we natuurlijk voorkomen, aangezien een teler een gerbera met schade minder goed kan verkopen. Je moet hier dus echt sturen op dichtheden: precies genoeg wantsen in het gewas zodat ze de plaag bestrijden en geen schade veroorzaken. We moeten hiermee in de praktijk aan de slag en blijven zoeken naar een generalist die alle plagen in het gewas kan aanpakken, zonder schade te veroorzaken.”

Generalisten
Bert Duijndam van Cropprotection adviseert gerberatelers over gewasbescherming en zat in de begeleidingscommissie van onderzoek naar de gerbera. “Het is belangrijk dat we als sector structureel onderzoek doen naar de groene middelen en biologisch bestrijders in de verschillende teelten, aangezien dit de toekomst is.”
Hij ziet een belangrijke rol voor de zogenaamde generalisten in de kas: insecten die verschillende soorten plagen in een gewas kunnen bestrijden. Roofwants van de familie Miridae is helaas niet de generalist waar de gerberatelers naar op zoek zijn. “Deze roofwants beschadigt het gewas te veel en dat risico kunnen de telers niet nemen. Dit hoort bij onderzoek: je moet heel veel uitproberen en er zijn geen garanties voor succes. Maar, we hebben al een nieuwe generalist gevonden die een succes kan worden in de gerbera- en chrysantenteelt. Dit beestje doet het onder (test) bepaalde omstandigheden goed. De volgende stap is testen in de praktijk.”

Maar dit is gemakkelijker gezegd dan gedaan, aangezien de wet- en regelgeving de ontwikkeling van groene biologisch bestrijders soms behoorlijk in de weg zit. “Als we aan de slag willen met een nieuw soort bestrijder, moeten we een ontheffing aanvragen van het ministerie en de NVWA. Daarna moet het beestje nog gevangen en gekweekt worden en dan ben je zo een jaar verder voordat je er echt mee aan de slag kunt gaan. Dit vertraagt enorm. We willen als sector flinke stappen zetten als het gaat om de groene bestrijders, maar dan zal de overheid toch echt moeten meebewegen”

Ecosysteem
Dit vierjarige onderzoek is inmiddels afgerond, maar de onderzoeken naar de verdere ontwikkeling van biologische bestrijding gaan door. “Het is fantastisch om te zien hoe plagen volledig onderdrukt kunnen worden door inzet van natuurlijke vijanden. We moeten alleen veel meer denken in een ecosysteem: wat zijn de behoefte van de natuurlijke vijand, hoe zorgen we ervoor dat ze zich kunnen voortplanten en wat kunnen we doen om dit te optimaliseren? Hiermee kunnen we het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen enorm reduceren en veel duurzamer en milieuvriendelijker telen. Dit is goed voor de teler en de maatschappij.

Het project Plaagbestrijding met omnivore roofwantsen is uitgevoerd door Wageningen University & Research. Dit onderzoek is voor de helft gefinancierd werd door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de andere helft door het bedrijfsleven: de gewascoöperaties tomaat, gerbera en roos, de Stichting Programmafonds Glastuinbouw en Koppert Biological Systems. Coördinatie lag in handen van Glastuinbouw Nederland.

Terug