Circulaire Bio-economie

Circulaire Bio-economie

Organisatie-onderdeel

TKI AF

Projectcode

AF17027

MMIP

Landbouw, Water, Voedsel>A. Kringlooplandbouw>A1. Verminderen fossiele nutriënten en emissies naar bodem, water en lucht

Startdatum

01/01/18

Einddatum

31/12/21

Samenvatting

In het programma “Circulaire Bio-economie” werken dertien bedrijven en kennisinstellingen samen. Zij zetten zich in voor een duurzaam en veilig hergebruik van co-producten en reststromen en optimaal gebruik van grondstoffen. In een circulaire bio-economie is het belangrijk om kringlopen te sluiten. Grondstoffen bestaan uit meerdere componenten. Het is de uitdaging om elke component zo duurzaam mogelijk, en voor de meest waardevolle toepassing, te gebruiken. Bij hoogwaardige componenten gaat het vaak om relatief kleine volumes. Daarnaast ligt er een forse innovatieopgave om grote volumes aan reststromen en bijproducten uit de biobased en food industry zo veel mogelijk te hergebruiken. De Nederlandse diervoedersector vervult hierin een cruciale rol. Deze sector kan grote volumes verwerken, op een duurzame, veilige en geborgde wijze. En “feed” toepassingen hebben een relatief hoge positie in de zogenaamde “waarde-piramide”.

Doel van het project

Om nog meer waardevolle feed-componenten uit reststromen te winnen, ontwikkelt het project nieuwe kennis over de toepasbaarheid van reststromen voor diervoeders. Daarbij worden de voederwaarde en verteringseigenschappen van (delen van) reststromen bepaald en worden mogelijkheden onderzocht om de kosten van grondstoffen en de carbon footprint te verlagen door nu nog inferieure producten geschikt te maken voor toepassing in de feed sector. Ook wordt onderzocht hoe bestaande en/of nieuwe reststromen opgewaardeerd kunnen worden om ze zodoende beter geschikt te maken als grondstof voor de veevoerindustrie.
Het project levert nieuwe mogelijkheden op voor het sluiten van kringlopen. Daardoor worden minder grondstoffen verspild en wordt een flinke sprong in duurzaamheid gemaakt.

Relatie met missie (Motivatie)

In een circulaire bio-economie is het belangrijk om grondstofcomponenten zo hoog mogelijk in de waarde-piramide in te zetten. Naast relatief kleine volumes aan hoogwaardige componenten ligt er een forse innovatieopgave om grote volumes aan reststromen en bijproducten uit de biobased en food industry zo veel mogelijk te hergebruiken.
De Nederlandse feed sector vervult hierin een cruciale rol. De feed sector kan grote volumes verwerken, op een geborgde en veilige wijze. En feed-toepassingen hebben een relatief hoge positie in de waarde-piramide.
Om een dergelijke duurzaamheidssprong en circulaire benadering te versnellen is nieuwe kennis nodig. Denk aan: 1) bepaling van de voederwaarde en verteringseigenschappen, toepasbaarheid, toegevoegde waarde van (innovatieve/nieuwe) reststromen / co-producten t.b.v. de dierhouderij, 2) mogelijkheden om de kosten van grondstoffen (maar ook de carbon footprint) te verlagen door nu nog inferieure producten geschikt te maken voor toepassing in de feed sector, 3) het bewerken/processen van reststromen om economisch rendement en voederwaarde binnen de waardeketen te verhogen, en 4) het evalueren van de uiteindelijke bijdrage aan het sluiten van kringlopen en de duurzaamheidsimpact.
Nederland heeft, in vergelijking met andere landen, veel expertise en ervaring met het hergebruik van reststromen en co-producten in de diervoeding. Ook de infrastructuur en procestechnologie maken Nederland tot één van de koplopers op dit gebied. De Nederlandse diervoederindustrie gebruikt meer dan 300 verschillende soorten grondstoffen voor de productie van diervoeder. Het totale verwerkte volume mengvoedergrondstoffen en enkelvoudige voeders bedraagt 19 miljoen ton/jaar. Maar liefst 51% daarvan bestaat uit co-producten en reststromen (Nevedi, 2016). De Nederlandse diervoedersector heeft, in samenwerking met andere ketenpartijen, de ambitie om door het opwaarderen van reststromen en co-producten, een grote bijdrage te leveren aan de Nederlandse circulaire economie en verduurzaming van het grondstofgebruik. Door nieuwe grondstoffen, nieuwe componenten en reststromen uit bioraffinage, ontstaan veel kennisvragen. Het doel van deze PPS is om Nederland te helpen een koploperpositie in te nemen bij het zo veel mogelijk circulair maken van onze agri-food sector. Dit verbetert het economisch rendement in de waardeketen en het vermindert eiwit/grondstof importen van buiten de EU.

Geplande acties

De waarde van diverse bijproducten uit de pluimveeslachterij voor de voeding van varkens is onderzocht. Focus lag op de verteerbaarheid. Als vervolgstap is onderzoek gestart naar processed animal proteins (van pluimvee) gericht op de groei en gezondheid van varkens. Hieruit blijkt dat in de voeding van gespeende biggen vooral pluimveemeel met een laag asgehalte en pluimveebloedmeel sojaeiwit kunnen vervangen zonder negatief effect op gezondheid en groeiprestaties. In de voeders voor vleesvarkens kunnen ook pluimveemeel met een hoog asgehalte en verenmeel hiervoor succesvol worden gebruikt. In 2021 start een evaluatie van de maatschappelijke acceptatie van het gebruik van processed animal proteins in diervoeder. Deze evaluatie is voorbereid in 2020, maar de consumentenstudie als zodanig is uitgesteld vanwege covid-19.
De mogelijkheden om fosfor te extraheren uit fosforrijke reststromen/co-producten, om ze daarmee aantrekkelijker te maken voor het gebruik in de diervoeding zijn onderzocht. Hierbij is tevens aandacht gegeven aan de mogelijkheden om zogenaamde ANF’s (anti-nutritionele factoren) die de benutbaarheid van eiwitten kunnen verlagen, te inactiveren.

Eerste resultaten van onderzoek naar nieuwe lokale (Europese) eiwitbronnen zijn beschikbaar gekomen: eiwit uit de raffinage van gras, rode klaver en lucerne.
Er zijn pilotexperimenten uitgevoerd om eiwitconcentraten te maken uit veldbonen en lupine.
Een eerste onderzoek naar mogelijkheden voor waardevermeerdering van co-producten uit humane voeding is uitgevoerd. Er is een overzicht gemaakt van vochtrijke en droge co-producten uit de levensmiddelenindustrie die gevoerd kunnen worden aan varkens en die mogelijk in aanmerking komen om verder bewerkt te worden. Diverse scheidings- en behandeltechnieken zijn beschreven. Vier mogelijk co-producten zijn geïdentificeerd en worden nader onderzocht.

Terug