De Groene Tulp, teeltstrategieën met inzet van groene/low risk middelen

De Groene Tulp, teeltstrategieën met inzet van groene/low risk middelen

Organisatie-onderdeel

TKI TU

Projectcode

TU18115

MMIP

Landbouw, Water, Voedsel>A. Kringlooplandbouw>A2. Gezonde, robuuste bodem en teeltsystemen gebaseerd op agro-ecologie en zonder schadelijke emissies naar grond- en oppervlaktewater

Startdatum

01/01/19

Einddatum

31/12/22

Samenvatting

De Nederlandse tulpensector is toonaangevend in de wereld en loopt voorop als het gaat om duurzaamheid en technologische ontwikkelingen. De sector wordt, net als andere sectoren, geconfronteerd met strenger wordende eisen vanuit de afnemers, toenemende wet- en regelgeving en een steeds beperkter middelenpakket om de toenemende ziekte- en virusproblematiek te lijf te gaan. Daarnaast wordt vanuit de markt steeds meer nadruk gelegd op duurzame teelt. In deze verduurzaming zit nog een grote uitdaging voor de sector.
In Nederland wordt ruim 13.000 ha tulpen geteeld en is daarmee met 50% van het areaal bloembollen de grootste gewasgroep. In de tulpenteelt ligt tevens een significante groeipotentie; verwacht wordt dat de komende 5 jaar de export van snijtulpen met 1 miljard groeit naar 4.9 miljard tulpen in 20232. Voorwaarde om deze groeipotentie te kunnen verzilveren is wel dat de kwaliteit van bol en bloem – gemeten in vaasleven en duurzaamheid – wordt verhoogd. Hier ligt het belang verder onderzoek voor ontwikkeling en verduurzaming van de tulpensector.

Doel van dit onderzoek is het opleveren van effectieve en duurzame strategieën voor de tulpenteelt zodat bij hoge ziekte- en plaagdruk misoogsten en onoverkomelijke schade aan zowel bol als tulp voorkomen worden. Om te komen tot effectieve en duurzame strategieën willen wij in het project ‘De groene tulp’ de volgende onderdelen combineren; het gebruik van biostimulanten en groene middelen voor;
1) het behandelen van de bodem
2) het ontsmetten van de bollen
3) ziektebestrijding op het veld

Een eerste stap kan worden gezet met het gebruik van biostimulanten en groene middelen voor het behandelen van de bodem om deze weerbaar(der) te maken tegen schadelijke schimmels. Een weerbare bodem geeft weerbare gewassen die met minder chemische gewasbeschermingsmiddelen en minder kunstmest een zelfde of betere kwaliteit product oplevert. De methode die voor bolbescherming zal worden gebruikt is het coaten van de bol zoals in de zaadsector wordt gedaan. De coating zal bestaan uit low-risk/groene middelen. Een innovatieve ontwikkeling waar bij een minimale dosering werkzame stof lange tijd bescherming kan bieden.
Dit om de tulpen(bol) weerbaar(der) te maken tegen schadelijke ziekten en plagen en zo te komen tot een kwalitatief goed eindproduct zonder chemisch residu. Uitgangspunt hierbij is dat de kwaliteit van de tulp na afbroei gelijk blijft – danwel hoger wordt – als onder de huidige teeltstrategieën.
Bij de UvA wordt o.a. onderzoek gedaan naar bodemkwaliteit en de invloed van biostimulanten. Met beschikbare academische kennis wordt onderbouwing gegeven voor het gebruik van biostimulanten in de tulpenteelt. Dit onderzoek draagt bij aan de biologische beheersing van opkomende ziekten, een hoofdaspect van Integrated Pest Management.
De kennis die opgedaan wordt in dit project gaat grote stappen maken richting verduurzamen van gewasbescherming in de tulpenteelt. Verduurzamen van de teelt is ook wat men nastreeft in het programma ‘Vitale teelt’, mede opgezet door KAVB en Greenport NHN, waar dit project dan ook goed bij aansluit. Tevens sluit dit naadloos aan bij het implementatieplan van de EU landbouwministers voor versnelde verduurzaming van gewasbescherming (zie artikel https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2016/06/28/eu-wil-meer-duurzame-gewasbescherming).
Dit project biedt ruimte voor een praktische interpretatie om het fundamentele onderzoek te ondersteunen om te komen tot praktische toepassingen die sector breed gedragen worden. Kennis die opgedaan wordt in dit project moet gedeeld worden over de hele sector en maatschappij waardoor duurzamere teelt te realiseren is in de toekomst en consumenten overtuigd raken van de vooruitstrevendheid van de Nederlandse bloembollenteelt.
De sector zal minder afhankelijk worden van alleen chemische bestrijding door de opkomst van biologische beheersing en preventieve maatregelen om de plantweerbaarheid te bevorderen.

Doel van het project

Beoogt resultaat van dit project is het opleveren van kansrijke systemen/strategieën voor duurzame tulpenteelt. Verder zal de gewasbescherming van bol op-plant tot oogst op basis van Integrated Pest Management gebeuren. Hierbij wordt gebruik gemaakt van groene/low risk middelen en biostimulanten.

Low-risk middelen zijn chemische gewasbeschermingsmiddelen met zeer beperkte impact. Groene middelen zijn gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong met een ingeschat laag risico voor mens, dier, milieu en niet-doelwit organismen. Deze middelen worden ingezet om de plant te beschermen tegen ziekten en plagen en laten – in tegenstelling tot de gangbare chemische gewasbeschermingsmiddelen – slechts zeer beperkt residu achter.
Naast low-risk/groene middelen worden ook biostimulanten ingezet. Biostimulanten zijn stoffen/micro-organismen die aan het gewas of de grond/het substraat worden toegevoegd en hebben een versterkende werking; ze bevorderen de opname van voedingsstoffen en beschermen het gewas tegen abiotische stress. Biostimulanten bieden geen directe bescherming tegen ziekten en plagen. De nadruk ligt dus op het versterken van plant en bodem, en niet zo zeer op directe bestrijding van ziekten en plagen. Er worden effectieve en duurzame strategieën ontwikkeld zodat bij hoge ziekte- en plaagdruk misoogsten en onoverkomelijke schade aan zowel bol als tulp voorkomen worden. Productie van kwalitatief uitstekende tulpen blijft zodoende gewaarborgd terwijl de groene beheersingsmethoden de meer milieuonvriendelijke gewasbeschermingsmiddelen verdringen.

De volgende vragen dienen beantwoord te worden om het doel te realiseren:
1. Hoe kan groene gewasbescherming effectief gebruikt worden in de tulpenteelt?
2. Welke biostimulanten zorgen voor een weerbaardere tulp?
3. De inzet van behandelingen met biostimulanten/ groene middelen in de openteelten is nu laag. Hoe kan de effectiviteit verbetert worden? Welke aanbrengmethoden en toepassingsomstandigheden zijn van invloed voor gebruik van biostimulanten/ groene middelen voor bolbehandeling?
4. Hoe kunnen low-risk/groene middelen en biostimulanten ingepast worden in geïntegreerde en duurzame gewasbeschermingstrategieën?

Het doel van dit project sluit aan bij het innovatiethema ‘Duurzame Plantaardige Productie’ en tevens bij de PPS ‘Op weg naar virusvrij en afzetgericht telen’ (KV 1605-074), welke tot doel heeft virusaantoning in het plantmateriaal van de tulp mogelijk te maken, wat de afzet en export vereenvoudigt en bevordert.

Ook passen de beoogde resultaten binnen de doelstellingen van het programma ‘Vitale Teelt’; Met bollen en bloemen van topkwaliteit, vrij van ziekten, op een rendabele manier geteeld in harmonie met de omgeving, emissieloos, klimaatneutraal en met een verantwoorde omgang met de natuurlijke hulpbronnen water, energie, bodem en biodiversiteit.

Relatie met missie (Motivatie)

Voor de Nederlandse tulpensector is het van groot belang verder te werken aan ontwikkeling en verduurzaming. Dit niet alleen om de positie als marktleider wereldwijd te behouden, maar ook om de groeipotentie van de sector optimaal te kunnen benutten. Daarnaast speelt de toenemende wet- en regelgeving een belangrijke rol; het steeds beperktere middelenpakket waarmee ziekten en plagen kunnen worden bestreden zet de sector onder druk. Wanneer de sector niet in beweging komt neemt de ziektedruk de komende jaren toe, wat grote financiële gevolgen zal hebben.

Voor de Nederlandse tulpensector is het van groot belang verder te werken aan ontwikkeling en verduurzaming. Dit niet alleen om de positie als marktleider wereldwijd te behouden, maar ook om de groeipotentie van de sector optimaal te kunnen benutten. Daarnaast speelt de toenemende wet- en regelgeving een belangrijke rol; het steeds beperktere middelenpakket waarmee ziekten en plagen kunnen worden bestreden zet de sector onder druk. Wanneer de sector niet in beweging komt neemt de ziektedruk de komende jaren toe, wat grote financiële gevolgen zal hebben.

De knelpunten zijn momenteel de volgende;
- Toenemende wet- en regelgeving m.b.t. middelengebruik
- Toenemende duurzaamheidseisen vanuit de markt
- Toename teeltintensiteit tulp (krappe teeltwisseling)
- Afnemende bodemkwaliteit
Door in te zetten op duurzaamheid wordt bijgedragen aan een oplossingsrichting voor bovengenoemde knelpunten.

Economische meerwaarde
Schimmels zoals Botrytis, maar ook Fusarium Rhizoctonia en Pythium, kunnen de bol aantasten. Dit vermindert de kwaliteit van de tulpenbol, of deze is zelfs geheel niet meer bruikbaar. Ontsmetting van de bollen is dan ook noodzakelijk om deze te beschermen tegen schimmels. Op die manier gaan minder bollen verloren wat het financiële rendement van de teelt verhoogt.
Daarnaast sluit dit initiatief aan bij Europese initiatieven voor versnelde verduurzaming van gewasbescherming in de landbouw. Dit zal Nederland en de Nederlandse tulpensector internationaal weer op de kaart zetten.
Binnen dit project zijn diverse partijen uit de gehele keten vertegenwoordigd. Zij bundelen hun krachten om samen te werken aan verduurzaming van de tulpensector. Zowel producten (telers) als leveranciers van groene middelen brengen hun kennis in om zo een duurzame teeltstrategie te ontwikkelen. Dit biedt kansen voor exportgroei en levert daarmee economische meerwaarde voor de tulpensector.

Maatschappelijke meerwaarde
Vanuit de maatschappij wordt er steeds meer nadruk gelegd op duurzaamheid. Ook de consument vraagt steeds nadrukkelijker naar producten die op duurzame wijze zijn geteeld. Dit geldt niet alleen voor voedselproducten, maar ook in toenemende mate voor sierteeltproducten, waaronder de tulp. Het streven naar duurzaam geteelde tulpen – met ook voor biodiversiteit, natuur en milieu – creëert toegevoegde waarde voor de consument. Het leidt tot gezonde producten en welbevinden van de gehele maatschappij wat zijn positieve doorwerking zal hebben op de gehele bloembollensector.

(Wetenschappelijke) meerwaarde kennisniveau
Met het verdiepen en verbreden van fundamentele kennis over onderstaande thema’s zal (wetenschappelijke) meerwaarde worden gecreëerd. Het partnerschap wil benadrukken dat het zich onderscheidt op het creëren van toepassingsgerichte oplossingen voor vanuit de sector aangedragen probleemstellingen en teeltcases. Dit betekent ontwikkeling vanuit de praktijk richting snel en breed toepasbare strategieën.
De inzet van de UvA op het terrein van fundamentele kennis en specialisme over onderzoeksmethodiek heeft een grote wetenschappelijke meerwaarde voor dit project. UvA heeft zich de afgelopen jaren ontwikkeld als kennisinstelling voor life-sciences naast Wageningen Universiteit welke belangrijke samenwerkingsverbanden betrokken heeft met gewasbeschermingsfabrikanten en de primaire sector.

Het brede consortium voor deze PPS bestaat uit brancheorganisaties, onderzoekinstellingen, bedrijven uit de primaire sector en toeleverende industrie. Alle gelederen van de sector zijn vertegenwoordigd, het kennisniveau is hoog. Met gebundelde kennis zetten de partijen (van oorsprong concurrenten) in op aspecten uit groene gewasbescherming in combinatie met biostimulanten, wat uniek te noemen is. Een gezamenlijk probleem wordt gezamenlijk opgepakt, iets wat nodig is om de nieuwe strategieën efficiënt te verspreiden en waar mogelijk te perfectioneren.

Geplande acties

De volgende vragen dienen beantwoord te worden om het doel te realiseren:
1. Hoe kan groene gewasbescherming effectief gebruikt worden in de tulpenteelt?
2. Welke biostimulanten zorgen voor een weerbaardere tulp?
3. De inzet van behandelingen met biostimulanten/ groene middelen in de openteelten is nu laag. Hoe kan de effectiviteit verbetert worden? Welke aanbrengmethoden en toepassingsomstandigheden zijn van invloed voor gebruik van biostimulanten/ groene middelen voor bolbehandeling?
4. Hoe kunnen low-risk/groene middelen en biostimulanten ingepast worden in geïntegreerde en duurzame gewasbeschermingsstrategieën?

Dit project bestaat uit 3 deelonderzoeken met één overkoepelende innovatie opgave:
Het gebruik van chemische middelen in de bloembollenteelt staat onder grote (maatschappelijke) druk. Het is daarom zaak om kennis te ontwikkelen op het gebied van het gebruik van groene alternatieven voor het bestaande middelenpakket om zo de teelt te verduurzamen. Een eerste stap kan worden gezet met het gebruik van biostimulanten en groene middelen voor het behandelen van de bodem om deze weerbaar(der) te maken tegen schadelijke schimmels om zo tot een kwalitatief goed eindproduct zonder chemisch residu te komen. Ook zal naar vergroening en verduurzaming van andere onderdelen van de tulpenteelt worden gekeken; bolontsmetting en ziekte bestrijding.
Hieronder een overzicht van de activiteiten en een uitgebreide beschrijving per deelonderzoek.
1) Grondbehandeling – groenbemesters, biostimulanten en groene middelen
Consortiumpartners:
NLG Holland, CNB, KAVB, Greenport NHN, Koppert, UvA, Proeftuin Zwaagdijk.

Probleemstelling:
Rhizoctonia vormt een wezenlijke bedreiging voor de tulpenteelt op zandgrond. Deze schimmel ontwikkelt zich in de bodem. Om deze te bestrijden zijn er momenteel 4 chemische middelen in omloop. Echter, met het oog op verduurzaming en de continue aanscherping van wet- en regelgeving, wil men op zoek naar volwaardige groene alternatieven en de inzet van groenbemesters. In de praktijk blijkt dat groene middelen en biostimulanten echter nog onvoldoende werken. Integrated Pest Management (IPM) op biologische basis heeft nog niet het gewenste effect waardoor men nog genoodzaakt is chemische middelen toe te passen.

Hypothese: door het toevoegen van biostimulanten en/of groene middelen is het mogelijk om bij de grondbehandeling het gebruik van chemische middelen te reduceren tot 0%, zonder dat dit de kwaliteit van de bollen en het bodemleven negatief beïnvloed.

Onderzoeksmethode: er worden diverse veldproeven uitgevoerd op zowel zand- als kleigrond waarbij de bodem op ‘groene wijze’ wordt behandeld om de weerbaarheid van de bodem te verhogen. Dit gebeurt door een geïntegreerde inzet van chemische middelen, groenbemesters, biostimulanten en/of groene middelen. Hierbij zullen de voedingselementen inde bodem door de jaren heen worden gemonitord om te kunnen analyseren wat de effecten zijn van de fluctuaties in deze voedingselementen op het bodemleven, de plantgroei en de ziektedruk. Het bodemleven wordt hierbij met behulp van een bioscan in kaart gebracht. Op basis van deze scan wordt een strategie bepaald om hiernaast ook te zoeken naar een juiste balans van nuttige schimmels en bacteriën.

Het effect van de strategie wordt daarna bepaald aan de hand van de kwaliteit van de bodem, welke wordt gemeten aan de hand van diverse parameters, waaronder;
- Het organische stofgehalte (bodembemonstering)
- De kwaliteit van het bodemleven (bacteriën/schimmels)
- Kwaliteit van de geoogste bloembollen

Doel:
Men streeft naar een gezondere bodem, waarbij de groei van de plant de basis is. Dit wil men bereiken door het op ‘groene wijze’ – met behulp van groene middelen en biostimulanten – behandelen van de bodem. Voorwaarde hierbij is dat de groene middelen en biostimulanten geen negatief effect hebben op de nuttige schimmels en bacteriën, en tevens de kwaliteit van de bollen en het eindproduct niet negatief beïnvloeden.

Kern van het project:
Het ontwikkelen en onderzoeken van verschillende (combinaties van) groene gewasbeschermingsmiddelen en biostimulanten om te komen tot een goed alternatief voor de chemische middelen.

Door onvoldoende beschikbaarheid van geschikte grond is er momenteel sprake van hoge teeltintensiteit en een krappe vruchtwisseling. Deze vruchtwisselingsproblematiek is in de afgelopen jaren al sterk toegenomen. Om te voorkomen dat dit ook de komende jaren toeneemt is het van belang de bodemkwaliteit en de ziektedruk in de bodem aan te pakken. Dit staat dan ook centraal in dit projectonderdeel.

2) Bolontsmetting – groene middelen
Consortiumpartners:
iBulb, NLG Holland, CNB, KAVB, Agri Treat Projects, Koppert, Proeftuin Zwaagdijk.
Probleemstelling:
Zuur (Fusarium oxysporum, var. tulipae) is voor de tulpenteelt de meest bedreigende ziekte. De schimmel vormt een ketenprobleem dat begint met het planten van zieke bollen, die bij de oogst al voor een basisbesmetting zorgen. Tijdens de oogst en verwerking kan zuur zich snel verspreiden en ontwikkelen en voor hoge percentages uitval zorgen, vooral omdat de omstandigheden voor de schimmel gunstig zijn. In de bewaring kan Fusarium oxysporum nog flink uitbreiden. In de ernstigste gevallen kan bijna de gehele partij verloren gaan.
Een van de teeltmaatregelen die er toe bijdragen om aantasting te beperken is het uitvoeren van bolontsmetting. Een veel voorkomende methode om de bollen te ontsmetten is de dompelmethode. De bollen worden meestal 15 minuten lang gedompeld in een ontsmettingsvloeistof. De chemische middelen die hier momenteel voor gebruikt worden hebben echter de eigenschap dat na gebruik chemisch residu te vinden is in de bol en ook in de bodem.
Niet alleen vormt Fusarium oxysporum een probleem maar ook tal van andere ziekten kunnen uitval en een slechte huidkwaliteit veroorzaken. De ziekten die door een bolontsmetting voorkomen of gereduceerd kunnen worden zijn o.a.: Fusarium oxysporum (zuur), Rhizoctonia solani (Rhizoctonia-ziekte), Rhizoctonia tuliparum (kwade grond), Septocylindrium-soort (huidziekte), Botrytis tulipae (vuur) en Penicillium hirsutum (groene schimmel).

Hypothese: door het toevoegen van groene middelen is het mogelijk om bij het ontsmetten van de bollen het gebruik van chemische middelen te reduceren tot 0%, zonder dat hierbij de kwaliteit van de bollen negatief wordt beïnvloed.

Onderzoeksmethode: de bollen worden op ‘groene wijze’ gedesinfecteerd (middels o.a. ECA water). Daarna worden de bollen geschuimd/gecoat/gedompeld. Dit gebeurt in diverse proeven waarbij een geïntegreerde aanpak wordt gekozen van schuim/coating/dompelbad waarin onder andere wordt gekeken naar de vervanging van chemische middelen door groene middelen.
Het coaten van de bol zal worden uitgevoerd zoals het coaten van zaad reeds in de zaadsector wordt gedaan. Een innovatieve ontwikkeling waar bij een minimale dosering werkzame stof lange tijd bescherming kan bieden.
Het schuimen zal plaatsvinden in flow (‘het nieuwe schuimen’). Hierbij wordt het schuim verspreid over de bollen welke op een lopende band voorbij gaan. Dit in tegenstelling tot het ‘oude’ schuimen, waarbij een volledige kist met bollen werd geschuimd. Deze nieuwe manier zorgt voor betere verdeling van het schuim over de bol en levert geen schuim (en dus middelen) achter op de kist, wat bijdraagt aan vermindering van de emissie.
Het effect hiervan wordt daarna bepaald aan de hand van de kwaliteit van de bollen, welke wordt gemeten aan de hand van diverse parameters, waaronder;
- Percentage uitval als gevolg van Fusarium
- Huidkwaliteit (o.a. Rhizoctonia)

Doel:
Doel van dit deelproject is het vinden van alternatieven in de vorm van low-risk/groene middelen en het ontwikkelen van een geïntegreerde groene aanpak voor het beschermen van de tulpenbollen; het zoeken naar groene methoden om de bol weerbaarder te maken tegen ziekten. Dit draagt bij aan de vermindering van de emissie van chemische middelen via bodem, fust en restvloeistof.

Kern van het project:
In de bollenteelt worden jaarlijks grote hoeveelheden gewasbeschermingsmiddelen gebruikt om besmetting van bollen met schimmels te voorkomen. Dit gebruik gaat gepaard met emissie van gewasbeschermingsmiddelen in het milieu, blootstelling van arbeidskrachten op bollenbedrijven aan gewasbeschermingsmiddelen en met hoge kosten. Naast de gangbare gewasbeschermingsmiddelen is het wellicht ook mogelijk om de bollen met biologische producten of een combinatie hiervan te behandelen. Binnen dit deelproject zal kennis worden verworven over de mogelijkheden om met behulp van groene/low-risk middelen de bollen te beschermen in de grond. Daarnaast zal ook gekeken worden welke rol biologische antagonisten kunnen spelen in de bolbescherming.

3) Ziektebestrijding – biostimulanten en groene middelen
Consortiumpartners:
iBulb, NLG Holland, CNB, KAVB, Greenport NHN, Agri Treat Projects, Koppert, UvA, Proeftuin Zwaagdijk

Probleemstelling:
Botrytis tulipae (een schimmelinfectie, ook wel ‘vuur’ genoemd) kan grote schade in het gewas tulp veroorzaken. Op de bladeren en stengels worden de eerste infecties zichtbaar. De infectie verspreidt zich neerwaarts en kan uiteindelijk de bol aantasten. Dankzij effectieve chemische bestrijdingsmiddelen is Botrytis in de meeste gevallen goed beheersbaar. Het gebruik van chemische middelen wordt steeds meer aan banden gelegd. Om hier op voorbereid te zijn, en te voorkomen dat Botrytis wel een bedreiging voor de teelt gaat vormen is het noodzakelijk onderzoek te doen naar het ontwikkelen van groene alternatieven voor de huidige chemische middelen.

Hypothese: door het toevoegen van biostimulanten en/of groene middelen is het mogelijk om bij de gewasbehandeling het gebruik van chemische middelen te reduceren tot 0%, zonder dat dit de opbrengst negatief beïnvloed.

Onderzoeksmethode: er worden diverse veldproeven uitgevoerd waarbij de ziekte bestrijding op ‘groene wijze’ plaatsvindt. Voor de bestrijding van ziekten (met name ‘vuur’) worden diverse groene middelen toegevoegd om de weerbaarheid van de plant te verhogen. Dit betreft middelen welke zich in eerder onderzoek binnen andere teelten al enigszins hebben bewezen, maar welke nog onvoldoende in de tulpenteelt zijn getest. Het effect van deze middelen wordt gemeten aan de hand van diverse parameters, waaronder;
- Percentage ‘vuur’ tijdens de groeifase
- Bolopbrengst (kg/m2)
Vaak wordt er weersafhankelijk gespoten om ziekten te voorkomen. In dit onderzoek zullen ook weersdata worden geanalyseerd om op basis daarvan een antwoord te formuleren op de vraag ‘Hoe kun je groene middelen integreren in je DSS op basis van o.a. data analyse?
Ook zal worden gekeken naar de invloed van vermindering van het toepassingsinterval van de innovatieve groene middelen op de ziektedruk.

Doel:
Gerichte bestrijding van Botrytis met behulp van low-risk/groene middelen.

Kern van het project:
Het ontwikkelen en onderzoeken van tijdige signalering en beheersing van Botrytis. Voor de bestrijding van Botrytis wordt preventief gebruik gemaakt van chemische middelen. Binnen dit project zal onderzoek worden gedaan naar het gebruik van low-risk/groene middelen om deze preventief in te zetten tegen Botrytis.
Daarnaast, als alternatief om de nutriënten opname te verbeteren – wat bijdraagt aan versterking van de plant – worden biostimulanten toegediend aan de plant. Vanuit kennis die we de laatste tien jaar hebben opgebouwd vooral in glastuinbouw, maar ook beperkt in de buitenteelt, kunnen we concluderen dat deze toevoegingen de nutriënten opname en productie kunnen verhogen. Echter, dit onderzoek heeft nog maar zeer beperkt plaatsgevonden in de tulpenteelt dus de kennis ontbreekt hier.

Onderdeel van dit project is het ontwikkelen van kennis op het gebruik en de invloed van biostimulanten en low-risk/groene middelen. Denk daarbij aan een combinatie van factoren die van invloed zijn op ziekten zoals levenswijze, ontwikkelingsstadia, populatieopbouw, het voorkomen in bloembollen en planten en de omgeving/klimaatomstandigheden. Ook invloeden met betrekking tot de bol zelf, zoals ontwikkelingsstadium inde bol, schadedrempel, omvang schade en de toepassing en de toepassing van low-risk/groene middelen al of niet in combinatie met biostimulanten. Om te komen tot praktische toepassingsstrategieën spelen biotische factoren zoals temperatuur, vochtigheid, bewaarcondities na behandeling een belangrijke rol. Voor de tulp zijn daarnaast ook planttijdstippen, het wel of niet afdekken, plantverbanden en de behandelingstechnieken van de low-risk/groene middelen van belang om te komen tot een goede kwaliteit van zowel bol als tulp. Door inzicht te krijgen in de genoemde factoren kan worden gewerkt aan een omschakeling van bestrijding naar preventie – en op die manier aan een duurzame wijze om aantasting/ ziekteverspreiding te voorkomen.

Naam projectleider

Karin Korse