Innovatieve alternatieve teeltsystemen voor grondgebonden snijbloemen

Innovatieve alternatieve teeltsystemen voor grondgebonden snijbloemen

Organisatie-onderdeel

TKI TU

Projectcode

TU18040

MMIP

Landbouw, Water, Voedsel>A. Kringlooplandbouw>A2. Gezonde, robuuste bodem en teeltsystemen gebaseerd op agro-ecologie en zonder schadelijke emissies naar grond- en oppervlaktewater

Startdatum

01/01/19

Einddatum

31/12/22

Samenvatting

Aan de plantaardige productie worden vanuit de maatschappij steeds hogere eisen gesteld. Negatieve effecten zoals de emissie van meststoffen en chemische gewasbeschermingsmiddelen moet tot een minimum worden beperkt. Afnemers en consumenten vragen om producten die met zo min mogelijk en bij voorkeur zonder chemische gewasbeschermingsmiddelen geteeld zijn. Ook medewerkers van productiebedrijven vragen om een zo minimaal mogelijk gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen. Het kunnen voldoen aan deze eisen wordt bemoeilijkt door versmalling van het pakket gewasbeschermingsmiddelen waardoor de kans op verminderde gevoeligheid of zelfs resistentie groot is. Om het gewas toch voldoende te beschermen moet dan vaker chemisch worden bestreden met als gevolg meer emissie en een kans op (te) hoge concentratie residu in producten. Eisen die ook steeds zwaarder gaan wegen zijn het efficiënte gebruik van water, energie en grondstoffen (circulariteit).

Innovatieve productiesystemen zijn een voorwaarde om te kunnen voldoen aan alle eisen. Teeltsystemen los van de ondergrond bieden de mogelijkheid de emissie en problemen met grondgebonden ziektes en plagen tot nagenoeg nul te reduceren. Een dergelijk systeem is de drijvende teelt. Bij deze teeltmethode vindt vrijwel de gehele wortelvorming in een enkele decimeters diepe voedingsoplossing plaats en wordt het gebruik van vaste substraten tot een minimum beperkt. Het is een betrekkelijk nieuwe techniek die in de teelt van bladgewassen en kruiden in Nederland intussen een aantal grootschalige praktijktoepassingen kent.

Doel van het project

Doel van dit project is deze innovatieve techniek ook te ontsluiten en beschikbaar te maken voor de nu nog grondgebonden snijbloementeelt (chrysanten en 2 of 3 nog te selecteren gewassen, zoals bijvoorbeeld Lisianthus maar ook Aster, Celosia, Campanula medium, leeuwebek (Antirrhinum), Matricaria, Trachelium en violier (Matthiola)). Voor het nog grondgeboden deel van de sector biedt het systeem de mogelijkheid aan genoemde eisen te voldoen en daarmee de ‘license to produce and to deliver’ te behouden.
Het project levert m.n. nieuwe kennis en inzichten op ten aanzien van de interacties in een relatief onbekend biotoop waarvan de basis is: met nutriënten verrijkt water waarin zich plantenwortels ontwikkelen.

Relatie met missie (Motivatie)

De plantaardige productie staat wereldwijd voor grote uitdagingen. Onder anderen door intensief, eenzijdig gebruik, ziektes en verzilting neemt de bodemkwaliteit en daarmee de productiecapaciteit af. Kwalitatief goed water wordt steeds schaarser en schaarste dreigt ook ten aanzien van fosfaat, één van de meest belangrijke nutriënten. Het veelal met de (intensieve) plantaardige productie gepaard gaande inzet van chemische gewasbeschermingsmiddelen vormt een ernstige bedreiging voor de natuur en de menselijke leefomgeving. Ook de klimaatverandering zet o.a. door droogte dan wel wateroverlast de wereldwijde productiecapaciteit onder druk. En dat terwijl de productiecapaciteit geacht wordt te groeien in verband met de verwachte groei van de wereldbevolking.

Er is daarom een snel groeiende vraag naar hoog productieve teeltsystemen die de bodem niet aantasten/uitputten dan wel niet afhankelijk zijn van grond, die zeer efficiënt omgaan met water, nutriënten, energie en andere grondstoffen (bijvoorbeeld substraten) en die de omgeving niet of nauwelijks belasten (gesloten, circulair). Dergelijke systemen moeten uiteraard bestand zijn tegen de gevolgen van de klimaatverandering en moeten zonder of met zo min mogelijk gewasbeschermingsmiddelen een kwalitatief goede producten opleveren.

De Nederlandse sierteeltsector vormt op de geschetste problematiek geen uitzondering. De samenleving vraagt ook van de sierteelt een duurzame productie en minder gebruik van chemie. In navolging van consumptiegewassen stellen afnemers ook ten aanzien van sierteeltproducten namelijk steeds scherpere (bovenwettelijke) eisen aangaande residu van gewasbeschermingsmiddelen. Het middelenpakket wordt steeds meer aan banden gelegd, waardoor de keuze voor middelen steeds smaller wordt en er steeds minder kan worden afgewisseld. Dit heeft een aantal gevolgen. De bestrijding van insecten - m.n. trips – wordt steeds moeilijker door ontwikkeling van resistentie tegen (de nog toegelaten) chemische gewasbeschermingsmiddelen.

Naast trips kampt de Nederlandse sierteelt ook met grondgebonden plagen zoals wortelduizendpoot en wortelknobbelaaltjes en grondgebonden ziektes zoals Verticillium en Fusarium. Door steeds strengere regelgeving vormt ook de emissie van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen een steeds grotere uitdaging voor bloemen-telend Nederland. In de Nederlandse Glastuinbouw is het streven in 2027 de emissie van gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten terug te hebben gebracht tot nagenoeg nul.

De sector steekt veel energie in het oplossen van de genoemde knelpunten: zo wordt er in het kader van de geïntegreerde gewasbescherming intussen decennia lang gewerkt aan een verdere ontwikkeling van de biologische bestrijding, resistentie rassen, ‘groene’ chemie en het weerbaar telen. Ondanks deze enorme inzet en de vooruitgang die daarmee geboekt is wordt steeds duidelijker dat dit niet voldoende is om in de toekomst te kunnen voldoen aan de eisen die de maatschappij stelt en gaat stellen aan de productie en het product. Binnen de sector, onder de telers, is er een ‘change of mindset’ nodig. Men raakt zich er van bewust dat er op een fundamenteel andere manier geteeld moet gaan worden om de sierteelt toekomstbestendig te maken en telers dus te verzekeren van een ‘licence to produce’.

Een belangrijke stap wordt gezet met de ontwikkeling en toepassing van emissiearme teeltsystemen. Omdat dergelijke systemen per definitie nagenoeg los staan van de ondergrond bieden ze de mogelijkheid schade door grondgebonden plagen en ziektes te voorkomen dan wel sterk te beperken omdat het groeimedium beter kan worden gecontroleerd en beheerst. Een veelbelovend emissiearm teeltsysteem is de zogenaamde drijvende teelt.
De wenselijkheid resp. noodzaak om nieuwe teeltsystemen - zoals de drijvende teelt - voor nu nog grondgebonden snijbloemen te ontwikkelen wordt door diverse partijen in de sector onderschreven. Dit blijkt o.a. uit de bereidheid tot financiële steun van die partijen, zoals bijvoorbeeld die van de Landelijke gewascommissie Chrysant die alle Nederlandse chrysantentelers vertegenwoordigt.

Geplande acties

Fase 1.1 (oktober 2018-maart 2019):
→ Inventarisatie potentieel voor de drijvende teelt geschikte gewassen (door Proeftuin Zwaagdijk i.s.m. leden van de begeleidingscommissie) .
→ Werven/betrekken sector (telers, plantenleveranciers) voor begeleiding van de proeven van fase 1, voor zover de nu beoogde begeleidingscommissie daar niet in kan voorzien.
Fase 1.2 (februari-april 2019):
→ Vaststellen lijst te testen gewassen (door de begeleidingscommissie)
→ Vaststellen (details) te testen (drijvende) teeltsysteem (door begeleidingscommissie, eventueel op basis van voorstellen van een daarvoor ingestelde subcommissie) (product: beschrijving van systeem(-onderdelen))
Fase 1.3 (maart-mei 2019)
→ Bouw/inrichting testopstelling en planten (door (betrokken) technische bedrijven/systeemontwerpers/-bouwers en Proeftuin Zwaagdijk) (product: (prototype) proefdrijvers met - al dan niet geïntegreerde - planthouder en gewasondersteuning)

Fase 1.4 (april 2019-juni 2020)
→ Uitvoeren proeven en monitoren, vastleggen resultaten (door Proeftuin Zwaagdijk)
Fase 1.5 (juni-juli 2020)
Afronden fase 1 met analyse van de resultaten (door Proeftuin Zwaagdijk) (product: tussentijds verslag)
GO/NO GO
→ Keuze maken voor gewassen fase 2 (door de begeleidingscommissie)
Fase 2.1 (augustus-september 2020)
→ Op basis van de gewaskeuze samenstellen van de begeleidingscommissie voor fase 2 (door de begeleidingscommissie)
→ Vaststellen benodigde proefopstelling(en) (door de begeleidingscommissie)
→ Vaststellen noodzakelijke aanpassingen teeltsysteem/aanpassen teeltsysteem (door de begeleidingscommissie en technische bedrijven/systeemontwerpers/-bouwers) (product: beschrijving van aangepast(e) systeem (-onderdelen)
→ Vaststellen objecten eerste proef/proeven (door de begeleidingscommissie)
Fase 2.2 (oktober-december 2020)
→ Voorbereiding proefopstelling en teeltsysteem (door (betrokken) technische bedrijven/systeemontwerpers/-bouwers en Proeftuin Zwaagdijk) (product: aangepaste (prototype) proefdrijvers met - al dan niet geïntegreerde - planthouder en gewasondersteuning)
Fase 2.3 (december 2020-november 2021)
→ Uitvoeren proeven, monitoren en vastleggen resultaten (door Proeftuin Zwaagdijk)
Fase 2.4 (november-december 2021)
→ Evaluatie proefresultaten (door begeleidingscommissie) (product: tussentijds verslag)
→ Vaststellen onderzoeksprioriteiten 2022 (door begeleidingscommissie)
Fase 2.5 (december 2021-november 2022)
→ Uitvoeren proeven, monitoren en vastleggen resultaten (door Proeftuin Zwaagdijk)
Fase 2.6 (november-december 2022)
→ Bedrijfseconomische berekening (door Proeftuin Zwaagdijk)
Fase 3 (januari-maart 2023)
→ Rapportage (door Proeftuin Zwaagdijk i.s.m. de begeleidingscommissie) (product: integraal eindverslag)

Naam projectleider

Karin Korse
Terug