Ruwvoer, Bodem en Kringlooplandbouw

Ruwvoer, Bodem en Kringlooplandbouw

Organisatie-onderdeel

WR-cap AF

Projectcode

LWV19195

MMIP

Landbouw, Water, Voedsel>A. Kringlooplandbouw>A2. Gezonde, robuuste bodem en teeltsystemen gebaseerd op agro-ecologie en zonder schadelijke emissies naar grond- en oppervlaktewater

Startdatum

01/01/20

Einddatum

31/12/23

Samenvatting

Het grootste deel (ca 65%) van het Nederlandse landbouwgebied wordt gebruikt voor de productie van ruwvoeders (gras, snijmaïs en overige voedergewassen). Door dit grote areaalbeslag heeft de wijze van ruwvoerproductie een zeer grote impact op de duurzaamheid van de totale Nederlandse landbouw. Een breed samengesteld consortium werkt aan verduurzaming van de productie van gras en voedergewassen. Zorg voor de bodem staat centraal, gericht op het sluiten van kringlopen; klimaatvriendelijke en –bestendig gewasproductie; biodiversiteit en agro-ecologie; en optimalisering van gewasopbrengst en – management.
Het programma is een vervolg op de PPS “Ruwvoerproductie & Bodemmanagement” 2015-2019 (TKI-AF-15102 en TKI-AF-15284). Ten opzichte van dit programma zijn er nieuwe doelen bijgekomen om ruwvoerproductie en bodemmanagement structureel te verbeteren in de context van de kringlooplandbouw:
o Verlaging van emissies/verliezen van koolstof, nutriënten en pesticiden naar lucht/water
o Verhoging van klimaatmitigatie en klimaatadaptatie
o Duurzaam bodembeheer voor productievermogen en maatschappelijke diensten
o Verhoging van de biodiversiteit in grasland en akkerbouwmatige ruwvoederproductie.
o Optimalisatie van ruwvoederproductie per oppervlakte eenheid
o Verhoging van de ruwvoerkwaliteit en -benutting
o Verhoging van nutriëntenefficiëntie in de teelt
De PPS draagt bij aan het realiseren van ambities die zijn geformuleerd in onder meer de LNV visie op kringlooplandbouw, het Klimaatakkoord, en het keurmerk ‘On the way to PlanetProof’.
De PPS versterkt de ontwikkelingsmogelijkheden en rentabiliteit van de melkveehouderij op een duurzame wijze en vergroot de innovatiekracht van bedrijven in de agribusiness.
Het ontrafelen van biologische werkingsmechanismen die van invloed zijn op ruwvoerproductie, bodemprocessen, bodem-gewas interacties, biodiversiteit, vruchtwisselingssystemen en het functioneren en beïnvloeden van de natuurlijke kringloop levert innovatief onderzoek op en wetenschappelijke output.

Doel van het project

De bodem is een kernelement in de kringlooplandbouw. Goede bodemkwaliteit is van belang voor de gewasopbrengst, voor bufferend vermogen in droge en natte periodes, en voor behoud van stikstof in de kringloop.
Een belangrijke graadmeter voor bodemkwaliteit is het gehalte aan organische stof in de bodem, samen met factoren als bodemstructuur, pH, fosfaattoestand en bodembiodiversiteit. De opbouw van organische stof in de bodem en het terugbrengen van organische stof naar de bodem is een belangrijk aspect in de kringlooplandbouw. De combinatie van bodemgebruik en-beheer, gewasmanagement en gewas- en raskeuze (in tijd en ruimte) heeft een zeer sterke invloed op productie, broeikasgasemissies, koolstofopslag, ammoniakemissies en nitraat uit- en afspoeling, maar ook op maatschappelijke diensten als biodiversiteit, en waterbeheer.
Het grootste deel van het Nederlandse landbouwgebied wordt gebruikt voor de productie van ruwvoeders (gras, snijmaïs en overige voedergewassen) en het is van groot belang om niet alleen aandacht te hebben aan bodemkwaliteit bij de teelt van akkerbouwgewassen, maar zeker ook bij de teelt van ruwvoeders. In 2019 liep de PPS “Ruwvoerproductie & Bodemmanagement” (TKI-AF-15102 en TKI-AF-15284) af, terwijl er nog belangrijke doelen resteren, en nieuwe doelen zijn bijgekomen om ruwvoerproductie en bodemmanagement structureel te verbeteren in de context van de kringlooplandbouw:
o Verlaging van de emissies/verliezen van koolstof, nutriënten en pesticiden naar lucht en water
o Verhoging van klimaatmitigatie en klimaatadaptatie
o Duurzaam bodembeheer voor productievermogen en maatschappelijke diensten op de korte en lange termijn
o Verhoging van de biodiversiteit in grasland en akkerbouwmatige ruwvoederproductie.
o Optimalisatie van ruwvoederproductie per oppervlakte eenheid
o Verhoging van de ruwvoerkwaliteit en -benutting
o Verhoging van nutriëntenefficiëntie in de teelt

Relatie met missie (Motivatie)

De PPS draagt bij aan het realiseren van ambities die zijn geformuleerd in onder meer de LNV visie op kringlooplandbouw, het Klimaatakkoord en klimaatdoelstellingen uit het Regeerakkoord.
De huidige wijze van ruwvoederproductie leidt niet tot de potentieel haalbare kwantiteit en kwaliteit gras en voedergewassen en gaat gepaard met een onnodig grote druk op grondwater- en oppervlaktewaterkwaliteit, bodemkwaliteit, klimaat en biodiversiteit. Door het grote areaalbeslag van ruwvoeders (ca. 65% van het Nederlandse landbouwareaal, waaronder ca. 900.000 ha grasland (CBS, 2019) en ca. 220.000 ha maïs) heeft de productie hiervan een zeer grote impact op de duurzaamheid van de totale Nederlandse landbouw.
Maïsteelt wordt geassocieerd met diverse duurzaamheidsproblemen (zoals uit- en afspoeling van nutriënten, een slechte bodemstructuur, lager wordende gehaltes aan organische stof, achteruitgaande bodembiodiversiteit) en ook het scheuren van grasland op de gangbare wijze t.b.v. maïsteelt of herinzaai geeft duurzaamheidsproblemen (o.a. nutriëntenuitspoeling, verlies organische stof en risico lachgasemissie). Verder zijn er aanwijzingen dat de productiviteit van grasland onder druk staat. De optimalisatie van de productie (in kwantiteit en kwaliteit) van grasland is belangrijk voor de rentabiliteit van een melkveebedrijf, maar juist ook voor de eiwitproductie van eigen land en voor het sluiten van kringlopen op zowel het bedrijf als in de regio en op nationaal niveau. Daarnaast is grasland de beste bodemverbeteraar die er is en daardoor cruciaal voor duurzaam bodembeheer en voedselproductie ook in de samenwerking en kringlopen met akkerbouw. Verdere optimalisatie van de maïsteelt en graslandbeheer is noodzakelijk om enerzijds eiwit van eigen land te produceren maar ook de biodiversiteit te verhogen. Nieuwe (combinaties van) methoden kunnen nieuwe perspectieven bieden, door gebruik te maken van nieuwe combinaties van gewas/ras afwisseling en bijbehorend management. Dit draagt bij aan de productiviteit op de korte en/of langere termijn en kan bijdragen aan bodemdiensten zoals weerbaarheid, schoon water, klimaat (mitigatie en adaptatie) en biodiversiteit.
Bodem- en mestbeheer hebben een sterke invloed op productie, broeikasgasemissies, koolstofopslag, ammoniakemissie en nitraat uit- en afspoeling, maar ook op maatschappelijke diensten als biodiversiteit, en waterbeheer. In het licht van deze achtergrond liggen er urgente kennis- en innovatieopgaven op het terrein van ruwvoederproductie per oppervlakte eenheid, ruwvoerkwaliteit en –benutting, nutriëntenefficiëntie in de teelt, emissies van nutriënten en pesticiden naar lucht en water en duurzaam bodembeheer voor productievermogen
en maatschappelijke diensten op de korte en lange termijn.
De PPS sluit aan bij de visie op kringlooplandbouw (LNV, 2018). Het effectief inzetten van gewasresten(inclusief vanggewassen) en dierlijke mest als belangrijke verrijking van de bodem. Een verbeterde bodemkwaliteit draagt bij aan een hogere opbrengst, zorgt voor een buffer voor extreme weersomstandigheden en beperkt de verliezen van stikstof. Hierbij is de organische stof in de bodem een belangrijke indicator. Bij zowel gras als maïs is het streven om per kg stikstof aan input zo hoog mogelijke productie van hoge kwaliteit te bereiken. De PPS sluit ook aan bij het klimaatakkoord (2019), waarin ook kringlooplandbouw terug komt. Binnen de maatregel ‘Bodem en Gewas’ is het minder scheuren van gras, verbetering gewasrotatie, vanggewas via inzaai na oogst of via onderzaaien opgenomen. Bij de aanpak van landbouwbodems zijn verschillende maatregelen genoemd waaronder het verhogen van koolstof in de bodem op bouwland door een duurzaam duurzamer bouwplan, verlaging lachgas-emissie door optimalisatie toepassing meststoffen en gebruiken maken van vaste rijpaden en reductie van broeikasgassen op grasland door minder grasland te scheuren.

Geplande acties

Het programma is ingericht met een focus op de te realiseren korte en middellange termijn doelen. Het programma is opgebouwd uit vier werkpakketten, waarin op een integrale wijze wordt gewerkt aan de doelen: “Zorg voor de bodem”, “Sluiten van kringlopen”, “Klimaatvriendelijk en –bestendig”, “Biodiversiteit en agro-ecologie” en “Gewasopbrengst en –management” (zie infographic).

Het resultaat van het werkpakket “Grasland” is een verbetering van de Nederlandse graslandproductie in kwantiteit en kwaliteit (gras en grasklaver), in samenhang met het sluiten van de kringloop, verbeterde nutriënten-efficiëntie, verbeterde klimaatprestaties, biodiversiteit en duurzaam bodembeheer. Hieraan werken we via zes deelprojecten. Het eerste deelproject levert kennis om bodemverdichting in grasland te verminderen, o.a. middels een rijpadensystemen. Het resultaat van het tweede deelproject betreft behoud van botanische samenstelling. Het derde onderdeel geeft betere kennis over voederwaarde en zodesterkte in grasrassenonderzoek. Onderdeel leert ons meer over mogelijkheden in het graslandmanagement om lachgas emissie te reduceren. Deelproject 5 levert nieuwe kennis over gras-klaver, zoals het effect van rhizobium en nematoden op ontwikkeling van klaver, de persistentie van klaver en de interactie van stikstof en kali met de persistentie van grasklaver. Het zesde deelproject resulteert in kennis over soorten- en kruidenrijk grasland. Hiervoor worden proeven met soorten- en kruidenrijke mengsels uitgevoerd met verschillende managementstrategieën en bemestingsniveaus. Metingen worden gedaan aan gewasopbrengst, voederwaarde, ondergrondse en bovengrondse biodiversiteit, bodemkwaliteit en persistentie van mengsels. Voor het sluiten van kringlopen op regionaal niveau en biodiversiteit wordt ook gekeken naar het effect van soortenrijke gras-klavermengels op een bouwlandgewas.

Het werkpakket “Mais en andere voedergewassen” resulteert in duurzamere teeltsystemen voor snijmais, meer kennis over duurzame vormen van onderzaai en bodembedekking bij de maisteelt, betere stikstofbenutting uit mest door het optimaliseren van drijfmestrijenbemesting en nieuwe kennis over de stikstofbenutting voor verschillende maïsrastypen, alternatieven voor glyfosaat (dat wordt ingezet bij het scheuren van grasland voor herinzaai of vervolgteelt met maïs, met name voor de bestrijding van lastige wortelonkruiden), en nieuwe kennis om problemen met ritnaalden (larven van de kniptor, een plaaginsect in meerdere gewassen waaronder maïs) te verminderen.

Het werkpakket duurzaam bouwplan resulteert in mogelijkheden om de (ruw)voerproductie via vruchtwisseling op een duurzame manier te optimaliseren m.b.t. economie (opbrengsten en kosten), bodembeheer, klimaat, biodiversiteit en sluiten van kringlopen door: A.) nieuwe combinaties van vruchtopvolging te ontwerpen – in combinatie met nieuwe rastypen of gewassen en eventuele nieuwe teelttechnieken – en ze te vergelijken met de momenteel gehanteerde systemen en/of best practices in binnen- en buitenland en benoemen van kennisleemten, B.) relevante kengetallen te verzamelen voor evaluatie op lange termijn duurzaamheid (inclusief economie) daar waar er belangrijke kennisleemten zijn, C.) testen van nieuwe vruchtwisselings- en teeltsystemen in meerjarige proeven, D.) evaluatie en communicatie van best practices en nieuwe vruchtopvolging systemen met het bijbehorende management (inclusief beweiding).

Het resultaat van het werkpakket “Communicatie & Kennisvalorisatie” is een brede verspreiding en implementatie van de resultaten van de PPS. Nieuwe kennis over ruwvoer, bodem en kringlooplandbouw komt slechts tot waarde als het benut wordt. Resultaten uit dit project zijn voor verschillende typen doelgroepen relevant: 1. De toekomstige gebruikers van de resultaten van de innovaties, dit betreft de ruwvoertelers (zowel melkveehouders als ook akkerbouwers in samenwerkingsverbanden met veehouderij) en hun erfbetreders: adviseurs, toeleveranciers, veredelaars, kwekers en loonwerkers, 2. Wetenschappelijke gemeenschap, nationaal en internationaal, 3. Beleidsmedewerkers (o.a. in relatie tot duurzaam bodembeheer, meststoffen, water, landschap en biodiversiteit), 4. Onderwijs, en 5. Burgers. De binnen het programma ontwikkelde kennis wordt zodanig gecommuniceerd naar gebruikers dat deze ook daadwerkelijk ingezet en opgepakt worden.

Naam projectleider

Gert van Duinkerken