Visserijsector bereidt zich voor op toekomst

De Nederlandse visserijsector bevindt zich in een grote transitie. Enerzijds moet de sector de druk op de omgeving en het milieu verder terugbrengen. Anderzijds wordt de sector gevraagd een belangrijke bijdrage te blijven leveren aan het voeden van een groeiende wereldbevolking. Dat roept bij veel ondernemers vragen op. Moeten we meer inzetten op aquacultuur? Wat is er bekend over schonere brandstoffen? In hoeverre is extensiever produceren met minder verspilling bedrijfseconomisch interessant?

In het Kennis-op-Maat-project ‘Ondernemerschap in de Blauwe economie 2.0’ werden ondernemers, studenten en brancheorganisaties in een serie masterclasses bijgepraat over de laatste ontwikkelingen. De deelnemers zo hun kennis verdiepen en hun blik verbreden. Met als uiteindelijk doel de deelnemers in staat te stellen om de juiste strategische keuzes voor een gezonde toekomst te maken.

Janneke Blonk was één van de deelnemers van de masterclasses. Ze is beleidsmedewerker bij De Visfederatie, de brancheorganisatie voor de visgroothandel en visverwerking. Hoewel ze dagelijks betrokken is bij het wel en wee van de sector, leverden de masterclasses haar toch veel waardevolle informatie op: ‘Ik heb meer inzicht gekregen in hoe verschillende maatschappelijke ontwikkelingen op elkaar ingrijpen en welke effecten dat voor de sector heeft. Het is heel verhelderend om het grotere plaatje geschetst te krijgen. Daardoor weet je als ondernemer beter wat kansrijke strategieën voor een gezonde toekomst zijn en kun je dus ook beter gefundeerde beslissingen nemen.’

De deelnemers hadden veel verschillende achtergronden: vissers, viskwekers, visverwerkers en – handelaren kwamen tijdens de masterclass samen met studenten, beleidsmakers en medewerkers van ngo’s. Blonk vond de diversiteit in samenstelling heel waardevol: ‘Doordat onderwerpen van veel verschillende kanten werden belicht, kreeg je veel meer begrip voor elkaars situatie en keuzes. Ik pluk daar dagelijks de vruchten van: we kunnen als sector veel meer in gezamenlijkheid optrekken en zo ook de nieuwe kansen beter benutten.’